door Gábor Locht
Van de Nieuwtestamentische Geschriften zijn alleen kopieën teruggevonden. De oudste complete kopieën van de Nieuwtestamentische teksten stammen uit de vierde eeuw na Chr. De originele handschriften zijn er echter niet meer. Is dat eigenlijk niet vreemd?
Nee, dat is het niet. Van alle geschriften uit de oudheid is namelijk maar een handjevol bewaard gebleven. In de meeste gevallen is de reden dat een manuscript het ‘overleefd heeft’ alleen te danken aan toevallige gunstige omstandigheden. Zo zijn er in het droge Egypte behoorlijk wat geschriften gevonden, geschreven op papyrus of perkament. In streken met een vochtiger klimaat was de ‘overlevingskans’ van geschriften echter veel kleiner.
Een treffend voorbeeld: Romeinse militairen kregen hun salaris drie maal per jaar uitbetaald. Van die betaling kregen zij een betalingsbewijs, geschreven op papyrus. In de drie eeuwen tussen de keizers Augustus en Diocletianus moeten er naar schatting zo’n 225 miljoen (!) van deze bewijzen geschreven zijn. Slechts een handjevol is bewaard gebleven.
Veel geschriften zijn opzettelijk vernietigd. Zo liet keizer Diocletianus tijdens de grote christenvervolgingen rond 303 na Chr. alle christelijke geschriften verbranden die maar gevonden konden worden. Met de ‘overlevingskans’ van niet-christelijke geschriften was het vaak niet veel beter gesteld. Toen bijvoorbeeld de islamitische kalief Omar Alexandrië had veroverd in 641 na Chr., vroeg zijn generaal wat hij moest doen met al de boeken uit de schitterende bibliotheek die de stad rijk was. Omar zou geantwoord hebben: “Als het overeenstemt met de Koran is er geen behoefte aan en als het niet overeenstemt, zou het niet moeten bestaan”, waarop de geschriften als brandstof werden gebruikt om de badhuizen te verwarmen…
Eén van de oudste bewaarde manuscripten van de Bijbel, de ‘Codex Sinaïticus’, werd in 1844 gevonden door Konstantin von Tischendorf in het St. Catharinaklooster in Egypte. Hij vond het manuscript in een mand met rommel die klaar stond om in de open haard gegooid te worden! Wij vinden zoiets onbegrijpelijk. De meeste mensen uit het verleden zagen echter niet de ‘historische waarde’ van documenten. Voor hen was een kopie net zo belangrijk, en bovendien mooier dan het oude origineel!
Het resultaat van dit alles is, dat er maar heel erg weinig oude documenten bewaard zijn gebleven. Een paar voorbeelden:
De oudste exemplaren van de werken van de beroemde Romeinse geschiedschrijver Tacitus (ca. 56-117 na Chr.) dateren uit de negende eeuw na Chr. Daarbij zijn een heel aantal delen van zijn werk gewoonweg verloren gegaan. Van het werk van Plinius de Oudere (ca. 23-79 na Chr.) is slechts minder dan de helft bewaard gebleven in kopieën uit de vijfde eeuw na Chr., hoewel zijn werk zeer gewaardeerd werd. De oudste exemplaren van De Republiek van de alom geprezen filosoof Plato (ca. 427-347 voor Chr.), zijn kopieën uit de negende eeuw ná Christus – dus van zo’n 1200 jaar nadat Plato de originelen schreef! Van de 66 toneelstukken van de beroemde Atheense tragediedichter Euripides (vijfde eeuw voor Chr.), zijn slechts 16 tragedies compleet bewaard gebleven in kopieën die dateren uit de tiende of elfde eeuw ná Christus. Zo kan doorgegaan worden. Alles wijst erop dat vele, vele (!) geschriften uit de oudheid verloren zijn gegaan. Van geen enkele beroemde schrijver is diens originele handschrift bewaard gebleven.
De conclusie is duidelijk: in vergelijking met teksten van beroemde schrijvers uit de oudheid, zijn de bewaard gebleven kopieën van het Nieuwe Testament eigenlijk verrassend oud!
Literatuur: Alan Millard, Reading and writing in the time of Jesus, Sheffield Academic Press, Sheffield 2001, 17-41.