Menora betekent letterlijk 'lamp', maar in de Bijbel wordt hiermee de zevenarmige kandelaar bedoeld, die in de tempel stond en die voor het eerst in Exodus 25 en 37 wordt genoemd. Toen de Romeinen in 70 na Christus de tweede tempel verwoestten, werd de menora naar Rome gebracht. Daar staat hij afgebeeld op de triomfboog van Titus. Later werd hij door vandalen meegenomen naar Carthago en van daar naar Constantinopel.
In de oudheid was de menora het meest gangbare Joodse symbool. Hij stond op munten, olielampen en mozaiekvloeren. Als symbool van eeuwig leven wordt de menora vaak afgebeeld als de levensboom, door twee leeuwen bewaakt. Hij staat ook symbool voor de hergeboorte van Israël, de Messiaanse tijd en de hoop dat de Messias nabij is.
In 1948 kozen de stichters van de staat Israël de menora, omringd door twee olijftakken, als het officiële wapen van de staat. Het idee is ontstaan uit het visioen in Zacharia 4, waarin de menora gevoed wordt door twee olijfbomen, die staan voor de Messias Ben Josef en de Messias Ben David.
Sinds de overwinning van de Makkabeeën (165 voor Christus) gebruiken de Joden ook een achtarmige menora bij de viering van Chanoeka; daarom heet deze kandelaar ook chanoekia. Hij heeft nog een negende arm voor de sjammasj, de 'dienaar', die gebruikt wordt om de andere kaarsen mee aan te steken. Het verhaal gaat, dat de lichtjes vertellen over Gods wonderbaarlijke voorzienigheid die ervoor zorgde dat een kleine hoeveelheid gewijde olie voor de menora, genoeg voor één dag, acht dagen bleef branden totdat er voldoende nieuwe gewijde olie was gemaakt.
Bron: IsraelToday.nl