door Gábor Locht
Wat is er vanuit buiten-Bijbelse bronnen bekend over de Heere Jezus? Eén onafhankelijke bron uit de eerste eeuw na Chr., waarin Hij ook genoemd wordt, is het werk van de historicus Flavius Josephus.
Josephus heette eigenlijk Jozef ben Matthias. Hij was van Joodse komaf en behoorde tot de adel. Al vroeg tijdens de Joodse opstand tegen de Romeinen (66-70 na Chr.) werd hij gevangen genomen. Gedurende zijn gevangenschap voorspelde hij, dat de Romeinse opperbevelhebber Vespasianus keizer zou worden. Kort daarna pleegde keizer Nero (bekend van de brand in Rome en zijn felle vervolging van christenen) zelfmoord. Vespasianus haastte zich terug uit Judea om de troon te bemachtigen. Zijn zoon Titus nam het bevel in de strijd tegen de Joden over. Het lukte Vespasianus om keizer te worden, waarna hij Jozef ben Matthias, vanwege zijn voorspelling, in vrijheid stelde. Jozef mocht de keizerlijke familienaam (Flavius) dragen en heette vanaf toen Flavius Josephus. In 70 na Chr. werd Jeruzalem door Titus verwoest en werden de tempelschatten (o.a. de zevenarmige kandelaar) naar Rome gebracht. Die tempelschatten moeten trouwens omvangrijk zijn geweest, want de bouw van het Colosseum werd ervan bekostigd! Toen deze schatten in een grote triomftocht door Rome werden gevoerd, was Josephus daar getuige van – niet als krijgsgevangene, maar als begunstigde van de overwinnaar! Het is dan ook niet verwonderlijk dat Josephus in Joodse kringen vaak als verrader werd gezien …
Josephus schreef verschillende boeken, waaronder ‘De oude geschiedenis van de Joden’. In dit boek wijdt hij enkele regels aan Jezus:
“In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht hij tot zich. Hij was de Christus. Ook nadat Pilatus hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderbaarlijke dingen over hem gezegd. Tot op de dag van heden is de naar hem genoemde groep van christenen niet verdwenen.” (Boek XVIII, 63-64).
De tekst van Josephus’ werken is (zoals vrijwel alle werken uit de oudheid) bewaard gebleven in middeleeuwse kopieën. De originele handschriften bestaan niet meer. Nu is er waarschijnlijk met deze tekst ‘geknoeid’. De kerkvader Origenes, die het werk van Josephus kende, schreef rond 250 na Chr. dat “Josephus niet in Jezus als de Christus geloofde”. Josephus was zelf geen christen en het is daarom niet aannemelijk dat hij de cursief gedrukte zinnen zo heeft opgeschreven. Hiëronymus (ca. 347-420 na Chr.) citeert daarnaast een gedeelte van de bovenstaande tekst in een eigen Latijnse vertaling. Zijn citaat luidt echter niet “Hij was de Christus”, maar: “Men geloofde dat hij de Christus was”. Kortom: Josephus heeft volgens de meeste historici wél over de Heere Jezus geschreven, maar de cursief gedrukte zinnen zijn waarschijnlijk door een ijverige, christelijke kopiist, aan het einde van de derde eeuw toegevoegd.
Josephus’ getuigenis blijft echter erg interessant. Als tijdgenoot van de discipelen bevestigt Josephus dat Jezus wonderen deed, dat Hij werd gekruisigd en dat Zijn volgelingen geloofden in Zijn opstanding.
Literatuur: Zie voor de vertaling van Josephus en voor de andere genoemde bronnen: Meijer, F.J.A.M. en M.A. Wes, Flavius Josephus. De oude geschiedenis van de Joden III, Ambo/Kritak, Amsterdam/Leuven, 1998, 65-69.